Verdiepende informatie ISO 50001
Directieverantwoordelijkheid
De directie moet haar directe betrokkenheid bij de ondersteuning van het energiemanagementsysteem aantonen door het benoemen van een directievertegenwoordiger, het vaststellen van een energiebeleid en het beschikbaar stellen van voldoende middelen om het beleid uit te voeren.
Beleid voor gezond en veilig werken (G&VW-beleid)
De directie legt schriftelijk de uitgangspunten voor het G&VW-beleid vast en verbindt zich onder andere aan het voldoen aan wettelijke en andere eisen, het wegnemen van gevaren en verminderen van risico’s, het betrekken van medewerkers en continue verbetering.
Energiebeleid
In dit onderdeel van het energiemanagementsysteem legt de organisatie algemene uitgangspunten voor het energiebeleid vast. In het onderdeel planning worden deze uitgangspunten uitgewerkt in concrete doelstellingen, taakstellingen en energiemanagementprogramma’s. Wat betreft het energiebeleid moet een organisatie zich committeren aan drie basisverplichtingen:
- voldoen aan relevante wet- en regelgeving;
- streven naar continue verbetering van de energieprestaties;
- bekend maken aan alle medewerkers zodat zij zich bewust zijn van hun eigen verplichtingen op het gebied van energiebesparing.
Veel organisaties leggen het energiebeleid vast in een beleidsverklaring. De energiebeleidsverklaring mag ook gecombineerd worden met de beleidsverklaring voor andere onderwerpen.
Planning
De beleidsuitgangspunten moeten vanuit de specifieke organisatieomstandigheden worden vertaald in doelstellingen en programma’s die zijn gericht op het verminderen van energieverbruik. Daarvoor is het essentieel dat alle mogelijkheden om energie te besparen worden geïnventariseerd. Maar ook dat doelstellingen voor de lange en korte termijn worden geformuleerd.
Afhankelijk van het energieverbruik speelt wat in wet- en regelgeving is opgenomen een belangrijke rol. Eisen uit wet- en regelgeving vormen het minimumniveau voor de geformuleerde doelstellingen.
Implementatie en uitvoering
Voor de realisatie van de doel- en taakstellingen en het energiemanagementprogramma zijn allerlei organisatorische maatregelen nodig. Het gaat dan onder meer om het vastleggen van taken, verantwoordelijkheden; procedures en werkinstructies voor werkzaamheden en activiteiten die samenhangen met: de vermindering van energieverbruik; opleiding van personeel; interne- en externe communicatie en het beheer van informatie en documenten.
Controle en corrigerende maatregelen
De organisatie dient zichzelf te controleren door meting en monitoring van de energieprestaties en het uitvoeren van interne audits. Tijdens de interne audits wordt de goede werking en samenhang van het systeem als geheel geanalyseerd. Een belangrijk criterium is daarbij of het energiemanagementsysteem in staat is de geformuleerde doelstellingen te realiseren. Bij geconstateerde afwijkingen worden corrigerende en preventieve maatregelen geformuleerd.
Directiebeoordeling
De directie moet de werking van het energiemanagementsysteem periodiek beoordelen en zich daarbij de vraag stellen of de doelstellingen niet moeten worden bijgesteld, bijvoorbeeld vanwege het streven naar continue verbetering zoals vastgelegd in het energiebeleid. Met het opnieuw vaststellen van beleid en doelstellingen begint de beheers- en verbetercyclus opnieuw.
Operationele planning en beheersing
Afspraken worden gemaakt over de wijze waarop dagelijks wordt gehandeld en gezorgd dat aan alle verplichtingen wordt voldaan en alle maatregelen ook in de praktijk worden gebracht. Hierbij hoort ook de afstemming met andere partijen (zoals onderaannemers) die op dezelfde locatie werken.
Management van wijzigingen (management of change)
Extra risico’s ontstaan op het moment dat er veranderingen zijn in het dagelijkse patroon. Door vooraf na te denken over de mogelijke gevaren en risico’s van de wijziging, of van effecten van de wijziging op andere processen, kunnen maatregelen worden getroffen om hierop te anticiperen.
Voorbereiding op noodsituaties
Noodsituaties kunnen bijzondere G&VW-risico’s met zich meebrengen. Mogelijke noodsituaties (scenario’s) worden geïdentificeerd (bijvoorbeeld brand). Maatregelen worden genomen om enerzijds noodsituaties te voorkomen en anderzijds adequaat te reageren wanneer zich een noodsituatie voordoet. De scenario’s worden geoefend.
Monitoren, meten en evalueren
Noodsituaties kunnen bijzondere G&VW-risico’s met zich meebrengen. Mogelijke noodsituaties (scenario’s) worden geïdentificeerd (bijvoorbeeld brand). Maatregelen worden genomen om enerzijds noodsituaties te voorkomen en anderzijds adequaat te reageren wanneer zich een noodsituatie voordoet. De scenario’s worden geoefend.
Interne audits en directiebeoordeling
Interne audits worden uitgevoerd om te beoordelen of het managementsysteem voldoet aan de norm en functioneert. De directie beoordeelt alle resultaten en nieuwe inzichten uit de actuele contextanalyse en stelt doelstellingen bij om een continue verbetering te realiseren van zowel systeem als de prestaties.
Verbetering
Het laatste hoofdstuk betreft verbetering. In dit hoofdstuk wordt aangegeven wat van de organisatie verwacht mag worden ten aanzien van continue verbetering en corrigerende maatregelen als afwijkingen ten opzichte van de uitvoering van het G&VW-managementsysteem of de norm worden geconstateerd.